Bescherming en diepte voor ingegraven leidingen buiten en onder een gebouw

Diepte en aanleg van sleuf voor ingegraven leidingen buiten en onder een gebouw

Wanneer een leiding moet ingegraven worden, bijvoorbeeld tussen de gastank en de tweedetrapsontspanner, moeten er aan bepaalde regels voldaan worden. We zetten ze graag nog even voor jou op een rijtje.

Ingraafdiepte

De ingraafdiepte, gemeten tussen de bovenzijde van de buis en het maaiveld is minimaal 60 cm. Wanneer de leiding zich in een wachtbuis bevindt, wordt de ingraafdiepte gemeten tussen de bovenzijde van de wachtbuis en het maaiveld. Wanneer deze minimale diepte niet kan worden nageleefd, omwille van ondergrondse kunstwerken (vb. rioleringsbuizen) worden bijkomende voorzorgsmaatregelen genomen. Deze voorzorgsmaatregelen omvatten in ieder geval volgende maatregelen:

  • De leiding wordt zo diep mogelijk gelegd.
  • Tussen de gasleiding en het obstakel wordt een isolatiescherm uit duurzaam materiaal geplaatst. Dit isolatiescherm kan bijvoorbeeld bestaan uit een dubbel gelegde elastomeren mat van 5 mm dikte die op doeltreffende wijze op de buis bevestigd wordt teneinde verschuiving te voorkomen.
  • Boven de leiding worden over de hele lengte waarop de leiding onvoldoende diep ligt kunststof of metalen beschermingsplaten geplaatst.

Afstand tussen leidingen

Voor ingegraven leidingen gelden volgende tussenafstanden. De afstand tussen een ingegraven gasleiding en een leiding van welke aard ook (gas, water, elektriciteit, …), bedraagt minstens:

10 cm op de kruispunten

20 cm bij evenwijdige loop

Overal waar mogelijk worden deze afstanden vergroot. Wanneer deze minimale afstanden niet kunnen worden nageleefd, wordt een scheidingsscherm uit duurzaam materiaal tussengeplaatst. Bijvoorbeeld dubbel gelegde elastomeren mat van 0,5 cm, op doeltreffende wijze op de buis bevestigt, ten einde verschuiving te voorkomen. In geval van kruising van twee leidingen wordt het scherm aangebracht ter hoogte van de kruising over minstens één van de twee ingegraven leidingen en over een minimale afstand van 50 cm.

 

Afmetingen voor ingegraven leidingen

Figuur 1 Afmetingen voor ingegraven leidingen

Elastomeren wikkel en scherm

Figuur 2 Voorbeeld van Elastomeren scherm en wikkel

 

Sleufbodem

De sleufbodem wordt als volgt voorbereid:

  1. Verwezenlijkt op een grondsoort die vrij is van steenslag, steenachtige lagen, rotsformaties, metselwerk, sintels of harde, corrosieve of snijdende materialen.
  1. Als deze voorwaarde niet kan worden nageleefd, moet de sleufbodem uitgegraven worden tot 10 cm beneden de leggingsdiepte d.w.z. de onderzijde van de leidingen.
  1. De sleuf wordt daarna aangevuld, in lagen van maximum 5 cm (telkens stevig aangedamd), met neutraal zand of goed verdichtbare, niet-corrosieve grondmaterialen, vrij van voorwerpen die de leidingen zouden kunnen beschadigen.
  1. Eenmaal op de sleufbodem gelegd, moeten de leidingen en onderdelen zich op de vereiste diepte bevinden en gesteund zijn over hun ganse lengte, zonder onderbreking.
  1. Op terreinen met vrij steile hoogten en laagten vertoont de sleufbodem, zuiver en vlak, overal een regelmatige helling.

 

Aanvullen van de sleuf

Het aanvullen van de sleuf gebeurt met neutraal zand of neutrale grond vrij van stenen, grind of puin, waardoor de bekleding van de leiding kan beschadigd worden.

Signalisatie

Op circa 20 cm boven de leiding moet een geel signalisatieband of -lint met aanduiding “gas-gaz” worden aangebracht.

Ingegraven wachtbuizen buiten het gebouw

Gasleidingen mogen in ingegraven wachtbuizen geplaatst worden. De wachtbuis heeft een diameter aangepast aan de diameter van de gasleiding, moet rechtlijnig zijn en moet eindigen buiten het gebouw op 1 m van de buitenmuur.

In eenzelfde wachtbuis mag naast de gasleiding geen andere leiding of kabel geplaatst worden.

 

Corrosiebescherming van ingegraven leidingwerk buiten en onder een gebouw

Beschermingssystemen

Voorbeelden van doelmatige bescherming voor ingegraven buizen:

a) Leidingen van koolstofstaal:

1)            vanuit de fabriek bekleed met epoxy conform NBN EN 10289 of met polyurethaan conform NBN EN 10290;

2)            vanuit de fabriek, bekleding met polyethyleen conform NBN EN ISO 21809-1;

3)            vanuit de fabriek, thermisch verzinkt conform NBN EN 10240 (zinklaag ten minste 56 μm dik) en bekleed met wikkelband of thermokrimpbaar materiaal conform NBN EN 12068;

4)            wikkelband of thermokrimpbaar materiaal conform NBN EN 12068.

Bovenop deze passieve bescherming kunnen ingegraven koolstofstalen leidingen bijkomend beschermd worden d.m.v. een kathodische bescherming conform NBN EN 12954.

De doeltreffendheid van de kathodische bescherming moet regelmatig gecontroleerd worden.

b) Leidingen van roestvast staal:

1)            vanuit de fabriek bekleed met polyethyleen conform NBN EN ISO 21809-1;

2)            wikkelband of thermokrimpbaar materiaal conform NBN EN 12068.

c) Koperen leidingen:

1)            vanuit de fabriek bekleed met synthetisch materiaal conform NBN EN 13349;

2)            wikkelband of thermokrimpbaar materiaal conform NBN EN 12068.

 

d) PE-leidingen

 Er is geen bijkomende corrosiebescherming nodig.

 

Beproeving van de bekleding op ondergrondse leidingen

Leidingen die niet vanuit de fabriek bekleed zijn en die over hun ganse lengte worden bekleed met wikkelband of een thermokrimpbaar materiaal conform NBN EN 12068, moeten worden gecontroleerd met een afvonkapparaat met een spanning van minstens 10.000 VDC.  

Deze artikels kunnen u ook interesseren